Missie 2.0

Standaard
Missie 2.0

David Bosch “Transforming Mission”, meets Andrew Perriman, Evert Jan Ouweneel, N.T. Wright, Walter Brueggemann en een beetje van mijzelf… Indeling:
1)    Missie in het Oude Testament
2)    Missie van Jezus
3)    Missie in het Nieuwe Testament
4)    Paradigma in de periode van de kerkvaders
5)    Paradigma van de (middeleeuwse) Rooms Katholieke kerk
6)    Paradigma van het vroege Protestantisme
7)    Paradigma van de verlichting
8)    Paradigma van het post-modernisme

(Dit was een lezing voor YfC Stafconferentie 2009)

1)    Missie in het Oude Testament.

De wereldgeschiedenis van religie laat zien dat Israël zich bevindt in het centrum van religieuze stromingen. Alle religies kennen tot 6e-5e  eeuw voor Chr. een mythisch wereldbeeld waarbij de goden directe invloed hebben op gang van zaken op aarde. De Sumerische priester-koningen zijn hier waarschijnlijk de grondleggers van. In deze religieuze oertijd ontstaan er in Mesopotamie de bekende geschriften zoals het Sumerische “Gilgames Epos” (tussen 21e en 14e eeuw voor Chr.) het Babylonische “Enuma Elish” tussen 18e en 7e eeuw v. Chr.
In vergelijking met de bijbel vallen de verhalen over de schepping, de zondvloed en de toren van Babel in het oog.

De grote godsdiensten van Griekenland tot en met China maken in de 6e en 5e eeuw een grote verandering mee: De nadruk schuift op van:
a.    aards naar hemels
b.    nu naar straks

Bekende figuren uit deze omwenteling zijn: Gautama Boeddha (Nepal 563 – 483 v.Chr.), Zoaratoestra / Zoroaster (Perzie, +/- 600 v.Chr.), Loa-Tse (China, 600 v.Chr.) en Pythagoras (Griekenland, 582-500 v.Chr.). Alle religies worden meer spiritualistisch en krijgen de dimensie van de ziel.

Uitzondering op de deze omwentelingen vormen de geschriften van de Joodse priesters en profeten uit de 7e tot 4e eeuw voor Chr. die wij nu kennen als het “oude testament”. Deze geschriften blijven getuigen van een schepper-god die zich actief opstelt op deze aarde in het hier en nu.

De joodse visie draait om een
–    monotheïsme (er is maar 1 schepper-god)
–    uitverkiezing (deze schepper-god heeft een verbond met Israel rondom land en volk, met als doel de zegen voor de hele aarde en alle volken)
–    eschatologie (het volk zal terugkeren uit ballingschap, de machten zullen worden verslagen, de schepper-god zal, door zijn Messias, regeren over zijn Koninkrijk)
De joodse relatie met de volken is nogal dubbel: aan de ene kant is er de vijandschap: afgoden, onrecht, slavernij, ballingschap, zonde, grote buitenlandse koningen etc. Aan de andere kant is er verwachting dat de volken zullen delen in de zegen van Abraham. De volken zullen komen en Israels God aanbidden. Op enkele uitzonderingen na is daar in het Oude Testament nog weinig van te merken.

In de inter-testamentaire periode slaat de wijzer door naar de vijandige kant en wordt het judaïsme meer en meer nationalistisch. Dit komt vooral door de ervaringen met de Griekse (Syrische) koningen, vooral Antioches Epifanes (215-164 v. Chr.), de Hasmoneen en de Romeinse overheersing vanaf 63. v.Chr. door Pompeus. In de tijd tussen 30 en 70 na Chr. komt het meer en meer tot confrontaties met de Romeinen wat uitloopt op de joodse oorlogen van 66 tot 70 en de vernietiging van Jeruzalem en de tempel. De joodse gelovigen kiezen daarna voor een strenge religie rondom etniciteit en synagoge. Men zet zich sterk af tegen de sekte van de christenen en de heilige schriften krijgen een enorme uitbreiding met de Misjna (“mondelinge Torah”, commentaren op Tenach) en Gemara (Uitleg van de Misjna)  die resulteren in de Talmoed.

2)    Missie van Jezus.

Jezus keert zich op enkele uitzondering na volledig tot zijn eigen volksgenoten. Zijn naam wijst al op de “redding van het volk (Israël)”. Hij presenteert zich als profeet en wordt meer en meer geïdentificeerd met de rol van Messias, de gezalfde koning die een hoofdrol zou spelen in de eschatologische verwachting van Gods komende rijk.

Jezus predikt vooral het Koninkrijk van God dat nabij is. Hij geneest zieken, drijft demonen uit, heerst over het water en de wind, vermenigvuldigt brood. Daarnaast vergeeft hij zonden (wat voorbehouden was aan God zelf, middels de priesters), vertelt hij verhalen die aan de ene kant een kritiek waren op het joodse religieuze en politieke leiderschap en aan de andere kant vertelden wat God aan het doen was.
Jezus roept een groep volgelingen om zich heen, geeft nieuwe radicale richtlijnen voor een nieuw leven en kiest voor een pacifistische houding en dient als de “minste”. Hij zoekt het recht voor de armen, hongerigen, weduwen en wezen, gaat om met de meest foute groepen en individuen en viert feest met zondaars.

Na deze tijd (in Galilea) trekt hij naar Jeruzalem en doet aanspraak op de troon van David. In deze climax spreekt hij het oordeel uit over de nationalistische ambities van Jeruzalem, de tempel en het leiderschap. Dit brengt hem nog meer in conflict met de religieuze en politieke leiders aan zowel Joodse als Romeinse kant. Dit leidt tot zijn dood aan het kruis in het jaar 30.

De opstanding van Jezus, zijn hemelvaart en de uitstorting van de heilige geest worden door zijn volgeling gezien als het aanbreken van de nieuwe eeuw. Jezus overwint de machten van het kwaad doordat hij zichzelf gaf tot in de dood, zijn opstanding betekent nieuw leven voor het volk en de Geest is de nieuwe adem en daarmee de vervulling van profetieën uit bijvoorbeeld Ezechiel 36 en 37. Wedergeboorte betekent dan ook het opnieuw leven vanuit de vergeving van zonden en het leven naar de wet volgens de geest van God.

3)    De missie in het nieuwe testament.

De boeken van het nieuwe testament vormen geen feitelijk verslag van het leven van Jezus en de eerste gemeente, maar een verkondigende terugblik en hoopgevende tekst.

Het nieuwe testament kent verschillende contexten:
–    Brieven van Paulus: missionaire context en diversiteit Joodse en Griekse achtergrond binnen een nieuwe gemeente. Deze brieven zijn grotendeels geschreven voor het jaar 60.
–    Synoptische Evangeliën en Handelingen: context van de val van Jeruzalem. Gaat God door met zijn volk na het oordeel. Geschreven tussen 70 en 90.
–    Geschriften van Johannes, Overige geschriften en Apocalyps: context van groeiende weerstand vanuit Synagoge en Romeinse overheid. Geschreven na 90.

Daarnaast is er sprake geweest van een mondelinge overlevering van de woorden en daden van Jezus en misschien wel een document dat niet bestaat. De brieven van Paulus zijn de oudste christelijke documenten.

Tijd van de “Handelingen”
In eerste instantie is de eerste gemeente in Jeruzalem een soort profetische beweging voor de bekering van het volk. Men moet Jezus aanvaarden als Israël’s Messias die zit op de hemelse troon. Hoewel de beweging groeit blijft het lange tijd een kleine, marginale groep gelovigen die onder druk van de joodse religieuze overheid staat.
Na verloop van tijd komen Samaritanen tot geloof in Jezus en zelfs Romeinse mensen die de God van Israël aanbidden, evenals een Ethiopische raadsheer. Toch zijn ook dit uitzonderingen. Pas na de bekering en uitzending van Paulus en Barnabas komen er heidenen in grotere getale tot geloof en meestal pas na weerstand uit de plaatselijke Synagoge.

Tijd van de “Handelingen” en de reizen van Paulus.
Doordat niet-Joodse mensen tot geloof in Jezus komen en de Heilige Geest ontvangen ontstaat er een nieuwe situatie die sociaal erg spannend is. De joodse volgelingen van Jezus moeten nu opeens de tafel delen met niet-Joodse mensen. Waarschijnlijk hielden de Joodse christenen zich aan spijswetten, sabbatsvoorschriften en zelfs besnijdenis, allerlei etnische-religieuze “identity-markers”. Moeten de niet joden eerst joodse worden om vervolgens bij het nieuwe Israël rondom Jezus te horen? Zijn christenen uit de Joden en uit de heidenen eigenlijk wel een? Houden ze zich wel aan de Torah? Op al deze vragen gaan de brieven van Paulus in. De brieven van Paulus krijgen later een belangrijke rol omdat men gaat denken dat ze gaan over God, zonde, Jezus, genade, heilige geest, kerk en ethiek als leerstukken van de kerk. Maar in Paulus dagen waren het vooral pastorale brieven over een uniek probleem: joodse volgelingen van Jezus krijgen opeens heel vreemde broeders en zusters…

De evangeliën.
De evangeliën worden op den duur een illustratie bij de leer uit de brieven van Paulus of een demonstratie van de natuur van Jezus. Uit de context kun je echter afleiden dat er een sterke “eschatologische” verwachting zit in deze tekst. Zoals reeds eerder gezegd hadden de Joden in Jezus’ tijd een sterke verwachting van de komst van de Messias en Gods rijk. Hoewel de meningen sterk uiteen liepen was er wel een rode draad: God zou zijn volk redden en daarmee zijn plan met Israël tot uitvoer brengen. Het volk zou tot zegen van de hele wereld zijn en alle volken zouden de God van Israël aanbidden in plaats van vernederen.

Maar het nationalistische Jodendom verloor de oorlog van de Romeinen en de tempel werd vernietigd. Gaat Gods verbond nu wel door? Is er een inlossing van de belofte aan Abraham en David? Hoe zit het met die Messias op de troon? En is er een terugkeer uit de ballingschap, vergeving van zonden, geestelijke vernieuwing?

Ja… het leven, sterven, opstaan en de troonsbestijging van Jezus in het jaar 30 is de feitelijk doorgang van het stervende Jeruzalem in het jaar 70. Door de geschreven evangeliën worden de traumatische ervaringen van de vernietiging van stad en tempel gekoppeld aan het plaatsvervangende sterven van Jezus, zijn opstanding en troonsbestijging. Er is nu geen tempel meer nodig en er is een nieuw volk rondom Jezus. De verhalen vormen de basis voor de formatie van een vernieuwd volk.

In de verhalen kom je dus ook al elementen tegen van heidense mensen die de zegen gaan ontvangen. Denk maar aan de Romeinse hoofdman, de Samaritaanse vrouw, de vrouw uit Tyrus, de tweede spijziging en enkele sterke uitspraken van Jezus over Gods verwerping van Israël en zegen aan heidense mensen. Het is in de evangeliën nooit duidelijk of deze accenten historisch of verkondigend zijn (of beide…).

Overige geschriften en Apocalyps.
Na de val van Jeruzalem gaat joodse traditie verder in de diaspora en er ontstaat een Synagoge Jodendom. De christenen uit Jeruzalem vluchten naar de Jordaanse stad Pella. De jaren die volgen staan in het teken van een steeds sterkere controverse tussen het Synagoge Jodendom en de gemende Joods-heidense kerk. Ook zijn er af en toe vervolgingen door de Romeinse overheid. De vroege kerk moet zich op twee fronten verdedigen en schrijft geschriften als de Hebreeën en de geschriften van Johannes die gaan over plaats van Jezus in de nieuwe eredienst en de plaats van Jezus als de ware Kurios, de Heer van de wereld.
De Apocalyps kijkt vooruit naar het oordeel over de machten en het herstel van alle dingen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Geheel in lijn met de Joodse profeten en apocalyptische geschriften, maar dan met Jezus in het middelpunt.

Al met al staat de missie in de tijd van het nieuwe testament in een apocalyptische spanning: de val van Jeruzalem, het Synagoge Jodendom en de tyrannie van Rome zijn dreigende grootheden tov. de kleine multi-etnische gemeente rondom Jezus Christus en daarom heeft men het over specifieke onderwerpen als oordeel, nieuwe gemeenschap en Jezus als Verlosser (uit het oordeel) en Heer (eerst over de nieuwe mensheid en later over de hele wereld).

4)    Paradigma in de periode van de kerkvaders (120-313)

Hellenisering
Uit de geschriften van de kerkvader blijkt (ondanks grote verschillen) een enorme breuk met de tijd van Jezus en het nieuwe testament. De Joodse context (land, stad Jeruzalem, tempel, volk) raakt op de achtergrond en de hellenistische context treed op de voorgrond. Zowel Iraneus, Clement, Origenes als Athenatius gaan in veel abstract-dogmatische temen spreken over God, Jezus, de mensheid en de wereld. De joodse context was sterk apocalyptisch (over een aanstaand oordeel en een concrete politiek-religieuze verlossing) en ook de vroege kerk was bezig met haar eigen probleem: de gemengde joods-heidense gemeente. Maar nu het joodse land geen issue meer was (na de laatste opstand van Bar Kochba in 135) was er geen sprake meer van een joodse hoop op een eigen staat. Ook werd de christelijke gemeente minder en minder joods en dus waren de problemen uit Paulus brieven niet meer aanwezig. Uiteindelijk werd iedereen heidens en was er geen enkele joodse christen meer. Paulus werd dan ook niet meer voor dat doel gelezen.

Om verschillende redenen (christendom ging op in hellenistisch wereld, apologeten ging het geloof verdedigen in filosofische termen en er kwamen allerlei “afwijkende” opvattingen die “rechtgezet” moesten worden) werd de historische-apocalyptische  setting van het NT vervangen door filosofisch dogmatische termen. Men ging werken met concepten als “het wezen” van God, de “persoon” van Christus, het mens-zijn en god-zijn van Jezus, de drie-eenheid, de logos.
Dit heeft veel te maken met de filosofische gedachten van onveranderlijkheid van het meta-fysische. Sinds Plato is er een scheiding (=dualisme) tussen de veranderlijke en onveranderlijke dingen. De materiële, waarneembare werkelijkheid is een schijn-werkelijkheid, maar de meta-fysische, spirituele werkelijkheid is onveranderlijk of eeuwig. De christenen vereenzelvigen dit met Gods wezen, zijn waarheid en goedheid. Dit staat in sterk contrast met de historische benadering van het joodse geloof. Daarom zoeken de hellenistische christenen naar een soort tussenweg: Jezus was ook echt mens, maar dit krijgt slechts een plaats in de verlossingsleer en heeft geen historische waarde meer.

De joodse gelovigen hebben een sterke eind-tijdverwachting inclusief de beloften uit het oude testament. Nu de Parousia uitblijft gaan de hellenistische christenen het Oude Testament allegoriseren: alles krijgt een “spirituele” betekenis en alles wijst op de hemelse Christus, de eeuwige Logos.
Redding betekende in het joodse denken “verlossing uit gevaar, ballingschap, slavernij of immanent gevaar”. Altijd historisch, maar in de hellenistische wereld komt er een redding van “de ziel” voor in de plaats. De ziel, een griekse vinding op de grens van fysieke en meta-fysische werkelijkheid moest gered worden. Deze ziel kan in verschillende stadia verlost worden, evenals in het neo-platonisme.

Gnostiek
De doorgeschoten variant is de leer van de Gnosis, een syncretische vermenging van manicheisme, neo-platonisme en christelijke geloof. In de gnostiek is het mogelijk om via geheime kennis (=gnosis) die bestaat uit allerlei tegengestelde paren op te klimmen van het slechte materiële bestaan naar de goddelijke sferen. De mens heeft dan ook een goddelijke ziel, een vonk, in zichzelf en moet zich net als Christus bevrijden uit dit aardse bestaan. Christus had dan ook een schijn-lichaam en hij is gekomen om onze ziel te verlossen uit dit zondige, fysieke bestaan. Deze wereld is dan ook geschapen door een anti-god, de Demiurg, die door de Gnostici gelijk wordt gesteld met de schepper-god van het Oude Testament. De echte god, de Vader van Jezus Christus is de goede macht.
De Gnostiek kent vele varianten en vele boeken die pas later weer boven tafel zijn gekomen zoals de evangeliën van Thomas, Filippus en Judas. De meest bekende half christelijk- half gnostische kerkleider was Marcion. Hij schafte het Oude Testament af en hield alleen Lucas, Handelingen en 10 brieven van Paulus over als bijbel. Paulus werd gezien als anti-joods, tegen de wet en het oude verbond die de verlossing predikt in het radicaal nieuwe evangelie van genade en verlossing van de ziel.
Het deel van de kerk dat niet tot Marcions club behoorde erkende wel het Oude Testament, maar tot de dag van vandaag zijn er allerlei sporen van Gnostiek te vinden in het christendom en vormen zelfs een belangrijk motief voor missie.

Kerk buiten het Romeinse rijk
De Latijnse kerk in het Romeinse rijk groeide langzaam toe naar de Constantijnse wending. Uiteindelijk ontstond er ondanks de vele verschillen een bepaalde eenduidigheid.
Aan de grenzen van het rijk bloeien echter een aantal stromingen die wij vanuit onze stroom typeren als “ketters” omdat ze niet de mainline dogma’s onderschrijven. Deze stromingen blijven tot ver in de middeleeuwen actief in Oost-Europa, Afrika en vooral Azie. Denk aan de Arianen, de volgelingen van Arius die ontkennen dat Jezus “de eeuwige zoon van God is”. Ze benadrukken sterk de menselijkheid van Jezus en zitten misschien wel dichterbij de joods-christelijke visie uit de tijd van Jezus zelf. Ook Nestorius (verbannen in 431) en de Nestorianen zijn tot in de 14 eeuw actief in het Midden-oosten, Perzie, India, China en het rijk van de Mongolen. De Nestorianen stonden bekend om hun theologische scholen, kloosterleven en missie. Uiteindelijk wordt hun gebied gekraakt door de opkomst van de Islam in het Midden-Oosten en het Boeddhisme in Azië. Op enkele gebieden in Ethiopie en India na vervielen de gemeenschappen na 1000 jaar tot een syncretisme. (Is dit vergelijkbaar met de val van de westerse kerk in onze dagen??)

Missie in de tijd van de kerkvaders
Er is nauwelijks sprake van intentionele “missie” in de Latijnse kerk, in tegenstelling tot de Nestoriaanse oosterse kerk. De westerse kerk is echter wel erg radicaal in het anders en heilig leven. Men zet zich juist sterk af tegen al die heidenen die zich bezig houden met afgoden, heidense moraal en “wereldse” zaken. Hoewel er veel negatiefs is te zeggen over de hellenisering van het geloof… de gewone gelovige hebben een buitengewone aantrekkingskracht door hun “anders” zijn. Ze getuigen door hun levensstijl en soms door hun opofferingsgezindheid in tijden van vervolging. Deze daden spreken veel mensen aan zodat er ten tijde van de Constantijnse wending vele miljoenen christenen zijn.

Is deze tijd te vergelijken met de onze? Niet echt. De cultuur was pre-christelijk en was als het ware “maagdelijk” ten opzichte van het christelijke geloof. Wij leven in een “post-christelijke” cultuur. Hoewel er vergelijkingen zijn tussen de val van Rome en de aftakeling van de westerse wereld en de westerse mens opnieuw open lijkt te staan voor spiritualiteit, gaat het nu om een gescheiden vrouw (pijnlijk gescheiden van haar christelijke echtgenoot) en nu open voor nieuwe relaties, maar niet de christelijke ex.

5)    Paradigma van de (middeleeuwse) Rooms Katholieke kerk

Middeleeuwen
Wanneer de middeleeuwen beginnen is niet geheel duidelijk. Sommigen noemen het Edict van Milaan van 313 waarin Keizer Constantijn de Grote godsdienstvrijheid afkondigt en daarmee een einde maakt aan de christenvervolging in het Romeinse rijk. In 394 verbood keizer Theodosius alle heidense godsdiensten en maakt het Christelijk geloof tot staatsgodsdienst. Of is het de val van Rome door de Goten in 410 of de Vandalen in 455?
Wanneer de Middeleeuwen eindigen is eveneens onduidelijk. Sommigen noemen de Renaissance (de “wedergeboorte” van de klassieke oudheid in Florence  en de val van Constantinopel aan de Turken in 1453), andere de Reformatie (1517), de Verlichting (Descartes’ Discourse on the Method, uitgegeven in 1637) of de Amerikaanse grondwet van 1787 met daarin de mensenrechten.

Aurelius Augustinus
David Bosch noemt Augustinus van Hippo (354-430) als de architect van de (vroege) Middeleeuwen. Zijn werk en geschriften (zoals “De Civitate Dei”, de “Confessiones” en de “Regel van Augustinus”) zijn voortgekomen uit zijn gepassioneerde inzet voor de kerk. Augustinus leefde in een zeer spannende tijd:
–    het Romeinse rijk werd steeds meer “christelijk” dankzij(?) de bekering van Keizer Constantijn de Grote en het Edict van Milaan in 313. De heidense religies lieten zich niet zonder slag of stoot afvoeren en to 394 leeft het Romeinse rijk in een stevige religieuze crisis.
–    Het Romeinse rijk liep op haar laatste benen. Steeds meer barbaarse stammen vielen vanuit het noordoosten het rijk binnen, ooit goed functionerende Romeinse systemen begonnen te vervallen, moraal zakte naar een dieptepunt, Rome begon honger te lijden door slechte aanvoer van graan en de mensen werden fatalistisch. De heidenen gaven de christenen de schuld en andersom.
–    Vlak voor de Constantijnse wende was er de keizer Diocletianus. Onder hem waren de zware christenvervolgingen. In deze tijd die vroeg om radicaal christelijk geloof ontstond het Donatisme (in navolging van Donatus Magnus die in 313 Bisschop van Carthago werd). Ze waren voor een scheiding tussen de ware en valse kerk, scheiding tussen staat en kerk en voor een zeer heilig leven (zo waren er volgens hen zeven doods-zonden) en heilige kerk. Augustinus probeert de kerk bij elkaar te houden en zegt dat er in zowel kerk als wereld goede en slechte mensen bestaan. De kerk moest niet uit de wereld ontsnappen, maar er zijn voor de wereld in al haar gebreke.
–    Ook zag Augustinus een rol voor de overheid hoewel deze onder het goddelijke gezag van de kerk valt. In zijn “De Civitate Dei” noemt hij twee “steden”: de menselijke stad zal uiteindelijk vallen, maar de “goddelijke stad”, het koninkrijk van Christus zal uiteindelijk zegevieren en is dus eeuwig. Toch is de menselijk stad niet demonisch en moet streven naar gerechtigheid en vrede, maar is niet een blijvende stad. De menselijke stad is dan ook ondergeschikt en dienstbaar aan de Goddelijke stad. In de middeleeuwen wordt dit de verhouding tussen staat en kerk: de staat mag/moet de kerk dienen (lees: heidense volken omver lopen, landen innemen, koloniën stichten).
–    Augustinus voert ook strijd tegen de Britse monnik Pelagius. Deze laatste ziet Christus niet als de verlosser van zondaren maar als het ideale voorbeeld welke navolging kan krijgen: de mens is dus vanuit zichzelf tot goedheid in staat. Augustinus gaat zich beroepen op de geschriften van Paulus (welke nauwelijks werden gelezen tot die tijd…) en neemt de historische vraagstukken uit bijvoorbeeld Romeinen en Galaten als tijdloze waarheden: de “mens” in een zondaar en tot niets goeds in staat en kan alleen door Christus worden gered. Augustinus drukt zijn bevindingen vooral uit in antropologische termen: de “ziel” van de mens moet door Christus worden gered voor de eeuwigheid in de hemel. Augustinus Confessiones is dan de eerste echte auto-biografie. Het gaat voor het eerst om het individu en zijn zieleheil.
–    De kerk krijgt van Augustinus de bemiddelende rol in de redding van de mensheid: er kon maar 1 kerk zijn en niet een ware en een valse. Buiten de ene kerk was er geen redding. Later ziet men de uitbreiding van Roomse landen dus automatisch als de uitbreiding van de kerk. Missie werd uiteindelijk een politiek spelletje.
–    Resultaat: “Christendom” waarbij God het gezag gaf aan de ene katholieke kerk, waarbij het individuele heil ontvangen werd en die in complementaire verhouding stond tot de staat.

De Monastieke Traditie.
Met het opkomen van het “christendom” ontstaat er een nieuwe beweging die enorme invloed zal hebben op het christelijk geloof, de missie en uiteindelijk zelfs het voortbestaan het christelijke geloof in de wereld. Veel mensen zien de constantijnse wende als te makkelijk, te aards. Ze willen vreemdeling zijn, voorbijganger, pelgrim op weg naar een hemelse woning. Dit lijkt een slingerbeweging met aan de ene flank het politieke en materiële en aan de andere flank het wereldmijdende, radicale.
–    De monastieke traditie is niet los te zien is van neo-platonistische, gnostische en dus dualistische visie op de werkelijkheid. Veel monniken doen aan ascese, eenzame opsluiting om hun “ziel te zuiveren”. De wereldmijding, kastijding van het lichaam en het ontzeggen van aards genoegen hebben iets boeddhistisch en daarmee on-Joods.
–    Aan de ander kant zijn klooster een soort “subversieve” of alternatieve samenleving in het klein. Monniken zijn op een bepaalde manier juist zeer present in de wereld door hun radicale navolging.
–    Klooster werden centra van beschaving in een barbaarse tijd. Het waren de Monniken die keihard konden werken, hospitalen, scholen en bibliotheken stichten, landen cultiveerden, mensen bekeerden, zieken hielpen zeer reislustig waren. Het waren vooral de monniken die missionair waren.

De volgende monastieke stromingen zijn zeer belangrijk:
–    De Egyptische monnik Pachomius wordt gezien als de eerste cenobische monnik (samenlevende monniken in een klooster). Daarvoor waren er allerlei heremitische monniken die zich terugtrokken in een cel of in de woestijn.
–    Augustinus vormt een monastieke orde rond thema’s als liefde, eenheid en opofferingsgezindheid. Zijn regel is tot de dag van vandaag populair.
–    Benedictus is echter de ware monastieke kampioen. Zijn regel in onovertroffen vanwege de balans van werken, geloven, aanbidden en samenleven.
–    In Azië zijn de Nestorianen zeer actief in het stichten van klooster, van Syrie tot en met China, van de 5e tot ver in de 14e eeuw.
–    De Ierse monniken (Saint Patrick, Saint Aidin en vooral Saint Colombanus) verspreiden het Ierse monastieke geloof opnieuw over Europa. Vanuit eilanden als Iona en Lindisfarne kerstenen ze achtereenvolgens Schotland, Engeland, Normandie en vervolgens trekken ze door naar Frankrijk, België, Italië, Spanje, Duitsland tot zelfs voorbij Kiev. Uiteindelijk onderwerpen de Ierse monniken zich aan het Roomse gezag door zich de Benedictijnse regel eigen te maken.
–    De Angel-saksische benedictijnen voeren een meer systematische missie uit in de Nederlanden, België, Duitsland en Oost Europa. Ze zien het stichten van kloosters als de missie voor de uitbreiding van de kerk. Zij zijn verantwoordelijk voor de kerstening van Nederland onder leiding van de Angel-saksische monniken Willibrord (658-739) en vooral Bonifatius (672-754). Deze laatste wordt gezien als de architect van het westerse christendom.
–    Tussen de 10e  en 14e eeuw vinden er allerlei hervormingen plaats binnen de monastieke traditie. Veelal ging het om meer heiliging, zoals de beweging van de Cisterciënzers olv. Bernard van Clairvaix in Cluny. Later komen daar de leken- of bedelordes bij van Franciscus van Assisi en Dominicus Guzman, de Franciscaner en Dominicaner ordes die zich toeleggen op respectievelijk de zorg voor de armen en de prediking tegen dwaalleer.

De Reformatie met haar nadruk op het “ambt aller gelovigen” blaast in haar hervormings-ijver de monastieke traditie uit noord-europa. Maar vooral de Franse revolutie maakt een einde aan vele duizenden klooster in Europa. Pas de laatste eeuw is de monastieke traditie in trek onder protestanten. Dit is vooral te danken aan nieuwe erkenning voor oude benedictijnse tradities en nieuwe uitingen vanuit bijvoorbeeld Iona en Taize.

Missie en kolonisatie.
De verhouding tussen de kerk en staat geeft de grote katholieke kolonisators Portugal en Spanje een vrijbrief om deze nieuwe gebieden te “kerstenen”. Het is in sommige gevallen zelfs beter de inboorlingen met geweld te dwingen tot bekering dan hen over te laten voor het eeuwig oordeel en de hel. Grote gebieden in midden en zuid Amerika komen onder het Portugese en Spaanse bewind en horen sindsdien tot de Rooms Katholieke kerk. Pas tijdens het tweede Vaticaanse Concilie (jaren 60 vorige eeuw) komt men (officieel) terug van dit soort inzichten.

Thomas van Aquino.
Waarbij Augustinus de grondlegger is van de Middeleeuwen kan met Thomas van Aquino (1225-1274) zien als het hoogtepunt. In zijn theologie (onder zware invloed van Aristoteles) maakt hij een enorm bouwwerk waarbij God, kerk, staat, mens en dier in een duidelijke hiërarchie staan. Dit is de kracht van de Middeleeuwen: duidelijke ordening van een stabiele maatschappij onder de hoede van de kerk. En daar waar de kerk (of de christelijke staat) komt, daar zegeviert de genade van Christus en is zijn rijk present. Dat is de missie in de Middeleeuwen.

6)    Paradigma van het vroege Protestantisme

De start van de Reformatie, het slaan van de 95 stelling tegen de aflaat op de deuren van Wittenberg in 1517 door Maarten Luther, wordt voorafgegaan door een aantal zaken:
–    De Renaissance in Europa, vanuit Italië: de wedergeboorte van de antieke wereld in het mensbeeld, de kunst, waardering voor oude bronnen. De mens komt centraal te staan in de cultuur (bv. DaVinci, Michelagelo) en de politiek/macht wordt los gezien van de kerk of adel (Machiavelli) en als instrument benaderd.
–    De boekdrukkunst, en vele andere uitvindingen zetten de kerk onder druk. Niet alles is zo makkelijk te beheersen. Vergelijk dit met het internet en mobiele communicatie vandaag de dag.
–    Misstanden in de Roomse kerk. Kruistochten, aflaat, de Investituurstrijd, vervolgingen van ketters, machtsmisbruik… er komt meer protest, bijvoorbeeld van Johannes Hus in Bohemen (Tsjechië).
–    Persoonlijke ervaringen van Luther: een onweer, kennismaking met de geschriften van Augustinus, etc.

De Reformatie kenmerkt zich door: Rechtvaardiging door geloof, mens en wereld zien vanuit het perspectief van de zondeval, de subjectieve dimensie van de redding (hoe vind IK een rechtvaardig god?), het ambt aller gelovigen, het centraal stellen van de bijbel (Sola Scriptura) tegenover de traditie, benadrukken van de rechte leer zoals de Schrift dat belijdt.

Luther
Maarten Luther is vooral in de weer met de tradities van Rome aan de ene kant en de meer humanistische visie van Desiderius Erasmus en zijn wetenschappelijke vrijheid.
Luther stelt nieuwe benadering van de het geloof voor (Sola Fide) en benadering van de genade (Sola Gratia) en schrift (Sola Scriptura). Luther vindt het gezag als vanzelfsprekend door God aangesteld.

Calvijn
Johannes Calvijn heeft daarnaast veel meer oog voor de predestinatie of uitverkiezing. De soevereiniteit van God staat centraal. Ook benadrukt Calvijn de regering van God of wel de theocratie op alle gebieden van het leven. Waar Luther meer bezig is met de kerk de individuele gelovige, heeft Calvijn meer oog voor politiek. Van daaruit liggen er lijnen naar moderne Missionaire / Missional ideeën.

Reformatie en Missie.
Achteraf gezien duurt het heel lang voordat er iets van missie op gang komt vanuit de Reformatie. Wat is de reden?
–    De reformatoren hebben het druk met de reformatie van de kerk. Dit kost energie, is gevaarlijk en met een beetje goede wil kun je dit zien als missie.
–    Sommige reformatorische gedachten leiden tot passiviteit. De uitverkiezing en de soevereiniteit van God kan leiden tot een passieve houding: waarom zou ik nog iets doen als de mens zich niet kan bekeren.
–    De mens is een zondaar, dus…
–    Veel aandacht ging naar de juiste leer (de objectieve waarheid van het geloof, en niet naar de subjectieve respons).
–    Er is niet een kerk meer maar een ware leer: nieuwe kerken splitsen zich af tot dat er uiteindelijk duizenden verschillende protestante kerken en evangelische gemeenten zijn.

Nadere Reformatie / Puritanisme / Pietisme / First en Second Great Awakenings.

De scholastische systemen die via Thomas van Aquino de kerk inkwamen, de logische bouwwerken, de objectieve systemen krijgen een weerslag in de gereformeerde scholastiek. Het gaat in de eerste eeuwen van de reformatie om de juiste objectieve waarheid en leer. De reactie komt in de Nadere Reformatie in Nederland (zie bijvoorbeeld Gijsbertus Voetius, 1588-1676 en de Synode van Dordrecht, 1618,1619) en het Puritanisme in Engeland en Amerika. Er komt meer aandacht voor de bekering, de subjectieve respons, geloof, zondebesef, levensheiliging en studie van de Schrift.
Deze tegenbewegingen zorgen ook voor nieuw missionair elan. Het Piëtisme zegt dat er vooral praktisch geloof moet zijn. De missionaire Graaf Nicolaus von Zinzendorf (1700-1760) predikt christenen als pelgrims die praktisch Christus navolgen en geen instituten moeten stichten maar Gods rijk moeten prediken en vooral uitleven. Zijn kolonie van de Hernhutters is nog steeds bekend en zijn gedachten levend.
In deze tijd ontstaat ook het baptisme met de nadruk op de persoonlijke bekering. De nieuwe subjectieve en praktische invalshoek is de start van wat wij tegenwoordig evangelisch of evangelicaal zouden noemen. In Amerika zorgen de Great Awakening voor een revival in de kerk. Slecht 10% was kerklid in de VS voor de great-awakening en deze beweging gaat door tot Billy Graham met een maximum van 70% kerklidmaatschap in 1970 in de VS.
Nog meer missionaire dadendrang komt met de opkomst van de charismatische beweging en de pinksterbeweging met de aandacht voor tongentaal, gaven van de geest, genezingen, voorspoed en extase. Deze bewegingen zijn vooral groeiend in Latijns Amerika, Afrika en westerse migrantenkerken.
Evangelische bewegingen zijn ook niet los te zien van reacties op het verlichtingsdenken: de romantische beweging, het existentialisme en het post-modernisme.

7)    Paradigma van de verlichting

De verlichting kan men kenmerken door:
–    Aandacht aan de ratio als basis voor alle waarheid. Het funderingsdenken legt logische relaties tussen tijdloze waarheden en afgeleide waarheden. Grondlegger hiervan is Rene Descartes met zijn bekende uitspraak “Cogito ergo sum”, “Ik denk, dus ik ben”.
–    De mensheid functioneert in het subject-object schema. Het menselijke subject (res cogitans) onderzoekt de rest van de werkelijkheid (res extensa). Uiteindelijk heerst de mens over alles en is de schepper, zelfs van constructies zoals liefde, geloof en God.
–    Er is geen doel meer, maar alleen oorzaak en gevolg binnen een gesloten wereldbeeld.
–    Er is altijd en uiteindelijk vooruitgang. Alles wordt op lange termijn beter, beter te beheersen en er ontstaan utopische situaties.
–    Kennis is vrij en waar. Wetenschappelijke feiten gaan voor subjectieve meningen, gevoelens of vooronderstellingen.
–    De maatschappij wordt uiteindelijk waardevrij en seculier waarbij de autonome, vrije mens zich kan manifesteren zonder rem in de publieke ruimte van meningen en geloof.
–    Er zijn geen klassen meer in adel, kerk of maatschappij. Politieke en economische revoluties kondigen zich aan.

De kerk reageert op verschillende manieren: het trekt zich terug op het gebied van persoonlijke ervaring, het kerkelijke erf, maakt van geloof een prive-zaak, zet theologie neer als een serieuze wetenschap die de koningin der wetenschappen moet worden, men gaat op zoek naar christelijke samenlevingen en politiek of men omarmt de seculiere samenleving.
In vele gevallen zien christenen de verlichting als iets van God: vooruitgang, techniek, succes in missie-gebieden, overheersing van de “witte” christelijke mens als superieur over inferieure rassen, opkomst van liberale theologie om geloof rationeel aanvaardbaar of bewoonbaar te maken, nieuwe apologetiek etc.
Uiteindelijk aanvaarden veel christenen de moderne overwinning en leggen ze zich toe op de restjes die overblijven: individuele zingeving of super-natural ervaring en extase al dan niet in moderne kerken en organisaties. De kerk wordt een marginaal verschijnsel in een moderne wereld.

In de theologie komt men via wetenschappelijk methoden ook weer tot nieuwe inzichten in oude tradities, bijbelse bronnen en bijbels “umwelt”. De meest uiteenlopende theologien ontstaan, van uiterst conservatief tot uiterst vrijzinnig. Netto resultaat is dat we meer dan ooit weten over de tijd van Jezus, de vroege kerk en de kerkgeschiedenis. Weten en interpreteren zijn echter weer risicovolle ondernemingen.

8)    Paradigma van het post-modernisme

Het geloof in voortuitgang, beheersing, wetenschap, politiek en economie kent echter haar eind. De laatste eeuw valt er een schaduw of alle aspiraties van de moderne verlichtte mens. De Titanic zinkt, wereldoorlogen en dictators maken een einde aan de vooruitgang, bronnen raken op, het milieu staat op barsten, mensen hebben veel maar zijn meer dan ooit op zoek, onrecht in de wereld is enorm, etc, etc.

Er ontstaat een nieuw paradigma in reactie op het modernisme: het post-modernisme. Dit kenmerkt zich door:
–    het einde van grote verhalen: menselijke constructies van macht en kennis gebouwd in de geest van de rationele verlichting houden geen stand.
–    Alles is interpretatie: er is geen ware kennis buiten de tradities, de teksten en de ervaringen van mensen.
–    Stijlen zijn te mixen, picking the fruits without the roots.
–    De werkelijkheid is niet-representeerbaar door welke afbeelding, theorie of model dan ook en daardoor niet controleerbaar.
–    De mens streeft naar extase, schoonheid en ervaring: een emocratie.
–    Ergens is postmodernisme eenvoudig hyper-modenisme: de westerse mens wordt het toppunt van zelfexpressie en autonomie. Meer kan een samenleving niet versplinteren. De mens zelf versplinterd.

Missionaire kansen:

–    Herontdekking missie van Israël, Jezus en de vroege kerk. Wat was er aan de hand? Hoe lees je de historische gebeurtenissen? In welk opzicht was Jezus leven de climax van Gods verhaal?
–    Wat is God aan het scheppen? Wat is de kerk? In hoeverre ben je als gemeenschap een alternatieve mensheid, een counter-cultural movement?
–    Wat is er te leren van de geschiedenis? Van welke fouten leren we? Welke denkbeelden moeten we omarmen en welk juist rechtzetten? Wie zijn onze helden en wat leren we van ze?
–    In hoeverre is Jezus te volgen? Of hoe volgen de mensen in de geschiedenis hem? Hoe creatief mag je zijn in de interpretatie van zijn beweging? Hoe politiek, holistisch, subjectief of juist objectief moet je interpretatie zijn?
–    Wat is missie?
–    Wat is missie en kerk in een post-bijbelse, post-christelijke, post-monatieke, postmoderne, postindustriële wereld?
–    Met welke tijd en met welke missionaire oplossing moeten we ons vergelijken: waar staan we nu en lijkt dit op een tijd uit het verleden? Waarin is deze tijd anders?

Mijn inzet: Ik ga voor moderne theologisch inzichten, reagerend op de nood van de wereld, in neo-monastieke vorm op basis en in navolging van Jezus Christus en in de hoop van de herschepping.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s