Emerging Churches & Cultuur

Standaard
Emerging Churches & Cultuur

(Onderstaand artikel is een hoofdstuk uit het boek “EmergingChurches.NL”)

Emerging Churches willen het grotere verhaal van Gods koninkrijk door de Schepping, de val, Israël, Jezus Christus, de kerk en de herschepping uitwerken in hun kerkvisie. De beweging is nog erg jong en zeer divers in theologische opvattingen en uitwerkingen van deze kerkvisie. Natuurlijk is er sprake van een aantal overeenkomsten waaraan de meeste Emerging Churches te herkennen zijn. Maar er zijn ook veel verschillen over de vraag hoe de kerk staat ten opzichte van de cultuur. In een korte verkenning wil ik de belangrijkste ijkpunten vaststellen en de alternatieven weergeven.

De overeenkomsten binnen Emerging Churches liggen vooral op het terrein van theologie en ecclesiologie. De theologie van de “third quest for the historical Jesus” en de “new perspective on Paul” worden breed gedragen. Daardoor is men de bijbel gaan zien als het verhaal hoe God met deze wereld omgaat. De bijbel is geen boek met absolute waarheden, maar het gezaghebbende verhaal met unieke en doorslaggevende punten in de wereldgeschiedenis. Jezus is in eerste instantie geen voorbeeld of een iemand die goed advies geeft. Jezus is de Messias van Israël en de Heer van de wereld. De doorbraak van zijn Koninkrijk staat centraal in elke Emerging Church. De identiteit van de kerk is gegeven in Christus, de implementatie van deze gebeurtenissen richting de nieuwe schepping staan open voor discussie.

Eerste ijkpunt is het Christusgebeuren. Waarom is Jezus de climax van het verbond met Israel? Waarom zijn de woorden en gelijkenissen, wonderen en symbolische acties zo belangrijk voor zijn eigen tijd? Wat was de betekenis van zijn lijden en sterven voor Israël? Emerging Churches nemen afstand van zinnetjes als “Jezus stierf voor mijn zonden” of “het bloed van Christus” of “Geloof in Jezus en bekeer je” of “Jezus was een goed voorbeeld”. Niet dat men tegen de inhoud van deze zinnentjes is, maar het zijn geen abstracte of tijdloze waarheden. Het Christusgebeuren is vooral een heilsfeit. Of Jezus koning is hangt helemaal niet af van de persoonlijke keuze van wie dan ook. Jezus is Heer door de opstanding uit de dood, daar doet geen enkele bekering iets aan toe of af. Het Christusgebeuren is de climax van het verhaal dat doorgaat richting het tweede ijkpunt: de nieuwe schepping.

De nieuwe schepping of de herschepping is het tweede ijkpunt. In Jezus opstanding is het reeds te zien: zijn lichaam voldoet aan de epistemologie van de nieuwe schepping. Een lichaam dat aan te raken is, maar tevens zomaar kan verschijnen en naar de hemel kan gaan. Jezus leeft als opgestane, zijn graf is leeg en hij zit aan de rechterhand van God. Hij heeft deel aan de nieuwe schepping die voor ons nog door moet breken en hier en daar reeds door zal breken. De nieuwe schepping zal komen, is soms zichtbaar, maar meestal nog niet. De grote vraag is dan ook: hoe groot zal de continuiteit zijn tussen de oude schepping en de nieuwe? Emerging Churches geloven allemaal in het grote verhaal van God als schepper. God is trouw en zal zijn schepping niet vernietigen, maar verlossen en herstellen. De nieuwe schepping is dus een continuiteit van de huidige schepping. Maar hoe groot zal de vernieuwing moeten zijn? In hoeverre participeren wij en in hoeverre is het een werk van God in het laatste oordeel? En als wij participeren, ligt de nadruk dan op wonderen en genezingen, op gemeenschapsvorming, op sociale gerechtigheid, op aandacht voor het milieu? Daar zijn ook binnen Emerging Churches verschillende opvattingen over, maar is er soms ook grote overeenstemming.

Het derde ijkpunt is de christendom-shift; de overgang van het christelijke geloof voor Constantijn de Grote naar het christendom er na. Het gaat niet zozeer om het herkennen van deze shift, maar het waarderen ervan. Is het goed dat het christelijke geloof overging in een  politieke en culturele “dominion” van het christen-dom? Of is dit de grootste fout die er ooit is gemaakt binnen de christelijke gelederen? Is het koninkrijk van God een politieke aangelegenheid of niet? Moet de kerk tegenover de staat blijven staan of is zij een partner van de staat? De beoordeling van de christendom-shift is binnen de Emerging Church nog niet geheel duidelijk. Men beroept zich verschillende stemmen, waarvan de een positief is over christendom en de ander uitgesproken negatief. Dit heeft gevolgen voor de waardering van de huidige tijd die wordt getypeerd als “post-christendom”.

Vierde ijkpunt is de verlichting en staatshervormingen en wetenschappelijke revoluties als gevolg van de verlichting. Het einde van het christendom wordt ingeluid door de renaissance waar de mens centraal komt te staan en de klassieke bronnen een herwaardering krijgen met als gevolg vernieuwingen in de kunst, cultuur, politiek en wetenschap. De reformatie, als godsdienstige revolutie, kan gezien worden vanuit de renaissance vanwege herbronning op de bijbel, het geloof en de genade alleen. Toch zullen weinig Emergers de reformatie noemen als ijkpunt omdat het een terugkeer is naar de eerdere ijkpunten. Toch had de reformatie ook enorme consequenties voor de wetenschap en de politiek in Europa. Wetenschappers werden door de reformatie vrij in hun denken en in politiek opzicht waren er aardverschuivingen; complete staten werden door godsdienstoorlogen gevormd of juist uiteengerukt. Deze godsdienst-oorlogen waren de aanleiding voor verlichtingsdenkers om de zoeken naar een alternatieve basis voor kennis en zekerheid. Daarom heet de periode voor de verlichting het pre-modernisme vanwege het onfeilbare gezag van oude bronnen, de kerk en de adel. De verlichting leidt tot het modernisme met het verkrijgen van kennis door observaties en rationeel denken. De moderne wetenschap en staatinrichting, het vooruitgangsgeloof en de beheersing van de natuur, het terugdringen van het sacrale ten gunste van het seculiere en het streven naar controle door grote systemen zijn te noemen als kenmerken van het modernisme.

Vijfde ijkpunt is het reeds eerder genoemde shift van christendom naar post-christendom. Dit is de terugtrekkende beweging van christendom als gevolg van de verlichting of (zoals sommigen beweren) het logische gevolg van christendom zelf. Kenmerken van post-christendom worden genoemd in hoofdstuk 1. Ook hier gaat het om de waardering van post-christendom. Dit hangt samen met de waardering van de christendom-shift van Constantijn de Grote. Is men positief over de christendom-shift dan is men meestal minder positief over het post-christendom en vice versa. De waardering staat of valt met opvatting over de verbinding tussen geloof en politiek, tussen staat en kerk en over de aard van deze verbinding. Emerging Churches zijn het er over eens dat het Koninkrijk van God een politieke betekenis heeft en zelfs historisch moet worden verstaan in een politieke realiteit. De boodschap van Jezus en Paulus is altijd binnen een politieke context. Maar wil dat ook zeggen dat de volgelingen van Jezus, de kerk, een politieke agenda hebben? Of is dat een aangelegenheid van de staat, met of zonder christenen aan het roer? Heeft de kerk een eigen ethische agenda of moet de ethiek van het Koninkrijk gebracht worden via de staat? Deze vragen hebben in een post-christelijke maatschappij een heel andere betekenis als in de christendom periode.

Zesde ijkpunt is de shift van modernisme naar postmodernisme. Emerging Churches worden wel eens onterecht aangezien als “postmoderne kerken” vanwege hun tijdelijke bondgenootschap met het postmodernisme tegen het modernism. Emerging Churches hebben, net als het postmodernisme, kritiek op de verlichting en op het modernisme, zonder pre-modern te willen worden of alles uit de moderne tijd te willen vernietigen. Toch is de vraag of we het postmodernisme moeten omarmen en zien als een kans of dat het een andere bedreiging vormt voor het grote verhaal van het Koninkrijk van God.

Enkele hoofdrolspelers in de Emerging Church conversatie.

In Nederland speelt Stuart Murray een belangrijke rol binnen de gemeentestichterswereld. Murray heeft een aantal titels op zijn naam staan over “post-christendom”.[1] In zijn boeken en artikelen is hij van mening dat de christendom-shift onder Constantijn de Grote een vergissing is geweest. De christenen hadden niet in moeten gaan op de uitnodiging om in het centrum van de macht te gaan staan. Ze hadden volgens Murray moeten kiezen voor een profetische houding buiten het centrum van de macht. Daarin staat Murray duidelijk binnen een anabaptistische stroming waarin de kerk een gemeenschap moet zijn met eigen ethische bepalingen, maar die er niet voor moet kiezen om allerlei verbindingen met de staat aan te gaan.

Behalve Murray zijn er andere “neo-anabaptisten” die internationaal veel aanhang hebben in de “Emerging conversation.” Vooral een theoloog als John H. Yoder is buitengewoon invloedrijk vanwege zijn visie op sociale gerechtigheid en vredestichting. In de VS is er vooral op ethisch en politiek terrein veel aandacht voor Stanley Hauerwas. Hauerwas staat met één been in de anabaptistische traditie, maar met een ander in de Rooms Katholieke. Zijn visie op ethiek en politiek is anabaptistisch en sluit aan bij Murray en Yoder, zijn ecclesiologie en schrift-visie komt dicht bij de Rooms Katholieke interpretaties. Hauerwas is (net als Yoder) buitengewoon kritisch op de moderne staatvormen en het verlichtingsdenken hierin. De meeste christenen in Nederland zullen zeggen dat het vanzelfsprekend is dat de kerk een taak heeft in het publieke domein en de politiek arena. Hauerwas meent daarentegen dat het theologisch onverantwoord is dat christenen een stempel drukken op het publieke domein. Christenen moeten zich afzijdig houden van de macht en het geweld, die onlosmakelijk zijn van het geweld.[2] Het alternatief dat Hauerwas biedt is de christelijke gemeenschap binnen het publieke domein een herkenbare, wervende gemeenschap is van rondtrekkende vreemdelingen. In zijn boek “Resident Aliens”[3] geeft Hauerwas aan wat de basis is van deze gemeenschap. De woorden van Jezus, zoals uitgesproken in de “bergrede”, zijn normatief voor de christengemeenschap. Ze vertellen niet wat de wereld zou moeten worden, maar hoe de wereld is, gezien door de ogen van Jezus. Door geloof zien christenen hun eigen gemeenschap zoals verteld wordt in de bergrede. Daardoor vormen zij een alternatieve mensheid binnen de mensheid. Hauerwas heeft daarom ook veel betekenis voor stichters van alternatieve christelijke leefgemeenschappen[4]. Dit wil niet zeggen dat de christen-gemeenschap buiten de maatschappij staat of dat zij zich onttrekt aan politieke verantwoordelijkheid. Hauerwas stelt dat de kerk geen politieke strategie heeft, maar dat zij een politieke strategie is.

Ook N.T. Wright levert kritiek op “christendom” aan de ene kant en “verlichting” aan de andere kant omdat hij in Jezus en Paulus opmerkt dat zij fundamentele kritiek hebben op de heersende machten. Volgens Wright treed Jezus als profeet op die een duidelijke “couter-tempel-movement” belichaamd en een zwaar oordeel aankondigt over het nationalistische streven van de joden in zijn tijd. Jezus wil Israël terugbreng naar haar oorspronkelijke roeping een licht te zijn voor de wereld. Zijn volgelingen denken nog in termen van politieke opstand en vragen zich ondertussen af wie de meeste zal zijn. Jezus legt zijn politieke kaarten op tafel door te zeggen dat de mensenzoon zal dienen en lijden en zijn leven zal geven. Een totaal nieuwe agenda. Wright vergelijkt de politiek van Jezus met een kaartspel. De volgelingen van Jezus denken dat het kaartspel hetzelfde zal blijven, de kaart hoeven slechts opnieuw te worden geschut. Jezus zegt dat er een heel nieuw spel gespeelt zal worden met hele nieuwe kaarten. Waar Jezus kritiek heeft op de tempel en het nationalisme van de Joden, heeft Paulus ook kritiek op de macht van de Keizer. In de woorden van Wright: “If Christ is king, then Ceasar is not!” Opnieuw een politiek statement maar uitgewerkt via een hele nieuwe strategie van een alternatieve mensheid rondom Jezus.

Wright wijst naar Rodney Stark als het gaat om de ‘christendom-shift’. Volgens Stark[5] is het een mythe om te denken dat het “Edict van Milaan” de oorzaak was van de dominatie van de christenen en dus van het ontstaan van Christendom. Stark toont aan dat het edict de reactie was op de reeds bestaande politieke realiteit die de christelijke gemeenschap al had. Dit zou de these van onder meer Murray weerleggen dat de christenen hebben gekozen voor de macht op uitnodiging van Constantijn.

Ook Lesslie Newbigin heeft kritiek op de westerse kerk als hij terugkeert van zijn missie in India. Hij treft een kerk aan diep zich diep heeft aangepast aan de agenda van de verlichting. Vooral de scheidingen tussen seculier / sacraal en feit / mening, zijn dodelijk voor de kerk die zich slechts als loopjongen van de staat kan opstellen om haar beleid ethisch te ondersteunen. Newbigin stelt dat de kerk niets anders moet doen dan radicaal wijzen naar het rijk van God dat door zal breken. De christenen moeten opnieuw de vaardigheid leren op profetisch te spreken in het publieke domein, zonder haar te veroordelen maar om haar te verlossen. The church, not the culture, sets the agenda, speaking from within the biblical narratives to the wider world. For Newbigin, the church must embody this public truth in all realms, foregoing the facts/values split of the Enlightenment, e.g. in neighborhoods, in arts, science, politics and economics. Rather than accept life on the margins, the church must serve as pointer to the coming reign of God. In retrospect, Newbigin gave the church a gift by exposing the powers and encouraging a gospel-like response in all spheres of culture.

Een interessante tegenstem is die van de Anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan. O’Donovan heeft een uitgebreide studie gedaan naar het fenomeen christendom en is daar in tegenstelling tot Hauerwas en Murray behoorlijk positief over. Hij laat onder meer zien dat “christendom” geen eenduidige cultureel tijdperk is, maar bestaat uit verschillende fasen. (1) De eerste periode die aanvangt met Constantijn de Grote typeert O’Donovan als die van de overwinning op de demonen. Hij ontleent deze karakteristiek aan de manier waarop christenen uit die tijd zelf interpreteerden wat er gebeurde toen het Romeinse Rijk christelijk werd. Tot dat moment stonden de machten die Rome beheersten aan de kant van de tegenstander van Christus. Christenen verwachtten ook toen al dat die machten zich vroeg of laat zouden moeten onderwerpen. Met de bekering van de keizer en de christianisering van het wereldrijk zagen zij dat metterdaad gebeuren. (2) De fase van een nieuw evenwicht: de oude samenleving van de wereld en de nieuwe van het komende koninkrijk bestaan niet alleen tegenover elkaar, maar ook door elkaar heen. Het oude domein wordt beinvloed door het nieuwe. De keizer is een christelijke “spion” in een niet-christelijke context. Typerend voor deze visie is het denken van zowel Ambrosius als Augustinus. (3) Deze polariteit verdwijnt op de achtergrond in de fase van ‘christendom’ als er twee brandpunten van regering ontstaan die beide de christelijke samenleving verzorgen: kerk en overheid. In navolging van de situatie onder Israël staan er twee instituten centraal: het priesterschap en het koningschap. Christus verenigt die beide functies, maar juist daarom moeten ze in de aardse samenleving gescheiden blijven. In deze situatie gaan kerk en overheid op elkaar lijken. (4) In de volgen fase gaat de kerk zich opwerpen als het hoogste gezag en zegt dat het wereldlijk domein zich aan haar moet onderwerpen. (5) Daarna komt men in opstand tegen de overheersing van de kerk. De natuurlijke politieke autoriteit emancipeert zich van de kerk. Maar ook binnen de kerk groeit er protest tegen de wereldlijke manier waarop de kerk haar gezag uitoefend. (6) In de laaste fase van ‘christendom’ ontstaat er weer een nieuw evenwicht tussen kerk en staat. Nu niet meer binnen een groot christelijk imperium , maar binnen verschillende christelijke landen en staten.

Centraal in O’Donovans politieke theologie staat dus het idee van ‘christendom’. Hiermee bedoelt hij de specifieke constellatie van samenwerking tussen staat en kerk sinds Constantijn de Grote zich in 313 tot het christelijk geloof bekeerde, tot het First Amendment (1791) op de Amerikaanse grondwet waarin voor het eerst de strikte scheiding tussen kerk en staat werd vastgelegd. Hij ziet het publieke en politieke ‘christendom’ als een historisch antwoord op het evangelie en een voorbeeldlezing voor hoe christenen politieke verantwoordelijkheid kunnen dragen. Daarbij is het tegelijkertijd een historische realiteit, namelijk hoe kerk en staat daadwerkelijk in deze periode samenwerkten, als een idee uitgewerkt door tal van christelijke denkers, ook als de realiteit anders was. Het gaat daarbij om een openlijk christelijke politieke orde die tegelijkertijd ook seculier is, in de betekenis dat die politieke orde zelf niet behoort bij het Koninkrijk van God, maar aards en dus tijdelijk is.[6]

O’Donovan stelt verder dat er vier fasen zijn in de bediening van Jezus die instellen wat de kerk moet doen. De kerk wordt, net als Israël gerepresenteerd door Christus. Zijn advent, lijden en dood, opstanding en exaltatie zijn funderend voor de missie van de kerk. (1) de eerste fase van advent is het moment waarop God de ware eschatologische Koning presenteert. De kerk is de verzamelde gemeenschap rondom Christus. De mensen in deze gemeenschap zijn vrij van andere machten. Maar ook tegenkrachten staan op om de mens te binden. Het moderne individualisme is zo’n tegenmacht die uiteindelijk de mens en de samenleving zal binden en onrechtvaardig zal maken. (2) de tweede fase is die van Christus’ lijden en dood. De oude autoriteit erkend God representant niet en onthult haar ware aard door het lijden dat zij Hem aandoet. Aan het kruis voltrekt zich de scheiding tussen onschuldigen en schuldigen. Daarbij trekt de onschuldige representant van Israël en de volken dit oordeel naar zichzelf toe. Het oordeel is Gods triomf over de machten maar tegelijk verzoening. De kerk deelt in dit lijden van haar representant en wordt zo een lijdende gemeenschap in de wereld. (3) De derde fase is is die van Christus’ opstanding. Via het oordeel waarin hij het kwaad ontmaskert en weg doet, handhaaft hij de orde van de schepping en brengt Hij haar langs deze historische weg tot haar bestemming. De gemeenschap van de kerk deelt in deze opstanding door de blijdschap die zij heeft in Christus en Gods werk in Hem. Maar ook de blijdschap om de gehandhaafde orde in de schepping en Zijn regering over haar tot zij haar doel bereikt. (4) De vierde fase is die van Christus’ exaltatie, zijn verhoging. De eschatologische Koning begint daadwerkelijk te regeren. Gods kritische en tegelijk bevestigende oordeel gaat metterdaad de geschiedenis bepalen tot de volledige onthulling in de parousie. De kerk is door God geautoriseerd om een profetisch sprekende gemeenschap te zijn. De politieke autoriteit dient te luisteren naar dit profetische spreken van de kerkelijke gemeenschap, maar ook naar een individu uit deze gemeenschap. In een democratie brengt Christus door het vrije woord zijn regering op op aarde. De kerk oordeelt niet maar spreekt profetisch, de overheid heeft een tijdelijke oordelende functie om vooruit te grijpen op de toekomst waarin God alles recht zal zetten.

Eimert van Middelkoop, minister van defensie namens de ChristenUnie stelt het volgende: “Theologen moeten zich maar eens buigen over de leer van O’Donovan over de kerk. Wat hij zegt over de relatie van de kerk met samenleving en politiek is intussen al interessant genoeg. De kerk is de gemeenschap die niet oordeelt, en daarin verschilt zij dus principieel van de overheid, omdat zij leeft uit het gegeven oordeel van God. In het midden van de samenleving ontmaskert de kerk wel de valse schijn van autoriteiten die van God niet willen weten. Deze ontmaskerende functie staat in het kader van Gods oordeel over het kwaad in de geschiedenis. De kerk legt niet alleen het verkeerde in de aardse samenleving bloot, maar bevordert ook de sanering van de samenleving. Zij reautoriseert de samenleving in het licht van Jezus’ autoriteit, zoals zij deze zelf kent. Zij stimuleert daarbij de samenleving om te voldoen aan de doelen die God daarvoor stelde. Met deze, zo geformuleerde, dienstbaarheid van de kerk aan politiek en samenleving geeft O’Donovan een invulling aan het beginsel van de scheiding van kerk en staat, waarin geen liberaal zich nog zou willen herkennen. Maar dat komt, omdat liberalen geen weet hebben van deze functies van de kerk, tot hun eigen schade.”

Conclusie

Emerging Churches zijn opkomende kerken in een post-christelijke en post-moderne cultuur. Hoewel ze in de eeuwenlange traditie van de kerk staan en zich identificeren met het grote verhaal van God en de climax van dat verhaal in Jezus Christus begeven zij zich op onbekend terrein. Dan Kimball, een pionier in de Emerging Church wereld haalt dan ook U2 zanger Bono aan: “You’re packing a suitcase for a place none of us has been.” Niemand weet immers precies hoe nieuwe kerken moeten inspelen op politiek/maatschappelijke vraagstukken in een post-christelijke en postmoderne tijd. Moeten ze simpel zijn en alleen het koninkrijk verkondigen? Moeten ze zich terugtrekken in leefgemeenschappen? Moeten ze actief politiek bedrijven of juist niet? Presenteren ze zich samen als gemeenschap of als individu uit een gemeenschap? Hoe gaan kerken om de lastige balans tussen hard oordelen en ingrijpen ten opzichte van vergeving en verzoening?

Emerging Churches staan nog maar aan het begin van een zoektocht naar nieuwe vormen van kerkzijn. Maar terwijl ze vrolijk experimenteren moeten ze stevig nadenken over theologie, over de cultuur en over de verhouding met politiek en maatschappij. De hierboven beschreven ijkpunten en hoofdrolspelers kunnen dienen als piketpaaltjes waarlangs de Emerging Churches hun politieke theologie kunnen gaan bedrijven.

Emerging Churches die de komende jaren zullen ontstaan, moeten in snel tempo volwassen worden omdat ze zich niet kunnen veroorloven goedkope antwoorden te geven op complexe vraagstukken. Hoewel het kerkmodel meestal eenvoudig zal zijn staan de Emergers met twee benen in een zeer complexe werkelijkheid. Maar met een verhaal dat hoop geeft. Daarom zie ik Emerging Churches als een geweldig avontuur, ook op politiek en maatschappelijk terrein.

 


[1] Zie www.postchristendom.com; de serie van Murray is genaamd “After Christendom”. Post-Christendom: church and mission in a strange new world, Church after Christendom, Faith and Politics after Christendom: the church as a movement for anarchy.

[2] Ad de Bruijne, Levend in Leviathan, Een onderzoek naar de theorie over ‘christendom’ in de politieke theologie van Oliver O’Donovan, Kok Kampen, 2006, p. 19.

[3] Stanley Hauerwas en William H. Willimon, Resident Aliens, A provocative Christian assessment of culture and ministry for people who know that something is wrong, Abington Press, Nashville, 1989.

[4] Gijs van den Brink, Wim Dorsman en Henk Minneman, Evangelische leefgemeenschappen, Kok Kampen, 2003.

[5] Rodney Stark, The rise of Christianity, How the Obscure, Marginal Jesus Movement Became the Dominant Religious Force in the Western World in a Few Centruries, Harper Collins, San Francisco, 1997

Eén reactie »

  1. Interessante uiteenzetting!:-) Eindelijk wat orde in de ideeën die je af en toe hoort in combinatie met emerging church. Ik had alleen de naam Brian McLaren hier ook wel verwacht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s